supinum

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • su·pi·num
Woordherkomst en -opbouw

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.

enkelvoud meervoud
naamwoord supinum supina
verkleinwoord supinumpje supinumpjes

Zelfstandig naamwoord

supinum o

  1. (taalkunde) de zelfstandig gebruikte verbogen infinitief in het Latijn; ook verbaal substantieve wijs genoemd; in tegenstelling tot het gerundium is de tijd toekomend
    • Supina vertaalt men doorgaans met 'om te' + infinitief. 
  2. (taalkunde) de voltooid tegenwoordige tijd van Zweedse werkwoorden

Meer informatie


Zweeds

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   supinum     supinumet     supinum     supinumen  
genitief   supinums     supinumets     supinums     supinumens  

Zelfstandig naamwoord

supinum o

  1. (grammatica) supinum

Meer informatie