strot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • strot
enkelvoud meervoud
naamwoord strot strotten
verkleinwoord strotje strotjes
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘voorkant van de hals’ voor het eerst aangetroffen in 1567 [1]
  • (erfwoord): naast gewestelijk stroot, uit Middelnederlands strōte (ook starte, sterte), uit Oergermaans *struttōn, evenals Nederduits Strott, een versmoltene stam met de mobiele s uit de eerdere grondvorm *þrūtō, genitief *þruttaz, deverbatief bij Indo-Europees *(s)trud- ‘opgezwollen, naar voren stekend’, vergelijk Welsh trythu ‘zwellen’, Latijn strūma ‘kropgezwel’, Lets trums ‘gezwel’ en Oudkerkslavisch trŭsa ‘stijf haar’. [2]

Zelfstandig naamwoord

strot v/m [3]

  1. (anatomie) strottenhoofd, keel
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen