strooien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • strooi·en
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van stro met het achtervoegsel -en
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen strooien

Bijvoeglijk naamwoord

strooien

  1. van stro gemaakt
    • Hij liep daar rond met de belachelijke strooien hoed. 
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
strooien
strooide
gestrooid
zwak -d volledig

Werkwoord

strooien

  1. overgankelijk verspreid neergooien
    • De boer was het zaad al op de velden aan het strooien. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl