prak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • prak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord prak prakken
verkleinwoord prakje prakjes

Zelfstandig naamwoord

prak m [2] [3]

  1. (kookkunst) hoeveelheid fijngemaakte (geprakte) door elkaar gemengde materie (meestal eten)
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
prakken

prak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prakken
    • Ik prak. 
  2. gebiedende wijs van prakken
    • Prak! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prakken
    • Prak je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen