stabiliseren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·bi·li·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stabiliseren
stabiliseerde
gestabiliseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

stabiliseren

  1. (overgankelijk) stabiel maken, bestendigen
    De toestand van de patiënt werd met medicijnen gestabiliseerd.
  2. (ergatief) stabiel worden
    De toestand stabiliseerde de volgende dag.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen