stabiliseren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·bi·li·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stabiliseren
stabiliseerde
gestabiliseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

stabiliseren

  1. overgankelijk stabiel maken, bestendigen
    • De toestand van de patiënt werd met medicijnen gestabiliseerd. 
  2. ergatief stabiel worden
    • De toestand stabiliseerde de volgende dag. 
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.