stabiel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·biel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vast staande’ voor het eerst aangetroffen in 1619 [1]
  • >Latijn [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen stabiel stabieler stabielst
verbogen stabiele stabielere stabielste
partitief stabiels stabielers -

Bijvoeglijk naamwoord

stabiel [3]

  1. niet of slechts licht aan verandering onderhevig, standvastig, duurzaam, stevig, permanent
    • Grafiet is bij kamertemperatuur en -druk een stabielere vorm van koolstof dan diamant. 
  2. (van een dynamisch systeem) terugkerend naar de evenwichtstoestand
    • een systeem is stabiel indien het na een verstoring weer terugkeert naar de evenwichtstoestand.
      Hoe sneller dit terugkeren gebeurt hoe stabieler het systeem is wat vaak kan worden bereikt door een juiste demping
       
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen