onstabiel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·sta·biel
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onstabiel onstabieler onstabielst
verbogen onstabiele onstabielere onstabielste
partitief onstabiels onstabielers -

Bijvoeglijk naamwoord

onstabiel

  1. geneigd of gedoemd om uiteen of om te vallen
    • Ga toch niet op die onstabiele stoel zitten, dadelijk komt je vallen. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.