spikkel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

pronkbonen met zwarte spikkels
Uitspraak
Woordafbreking
  • spik·kel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vlekje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1485 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord spikkel spikkels
verkleinwoord spikkeltje spikkeltjes

Zelfstandig naamwoord

spikkel m [4] [5]

  1. klein plekje van een andere kleur dat afsteekt ten opzichte van de achtergrond
    • ' Waar je ook ter wereld bent, naar wat voor dier, plant, insect of spikkel je kijkt, als het leeft zal het dezelfde taal spreken en dezelfde regels kennen. Al het leven is één,' zegt Matt Ridley. We zijn allemaal het resultaat van eenzelfde genetische truc die bijna vier miljard jaar van generatie op generatie werd doorgegeven, en wel zo dat je een deel van de menselijke genetische code kunt nemen, die in een gebrekkige gist kunt plakken, en de gistcel zal ernaar handelen alsof het de zijne is. In meer dan een opzicht is het de Zijne. [6] 
    • Toen viel er niets meer te zeggen. We hadden geen woorden meer. Ik zette een stap in de richting van de derwisj, en kwam zo dichtbij dat ik de gouden spikkeltjes in zijn zwarte ogen kon zien. [7] 
    • Volgens Karolien De Bleser, die de regie van Modders op zich neemt, is veel ontstaan uit eigen ervaringen. ‘Ik ging met mijn kind en de drie kinderen van Liesje naar een ijssalon. De coördinatie en stress die daarbij komen kijken. Het ene kind neemt te veel bollen ijs, dan wil dat kind nog spikkels, of aan de smaak van zijn broertje likken, mijn kind valt half van zijn kruk, zelf ben ik in de weer met servetten om alle vlekken op te kuisen... Het was theater op zich. Daar moesten we wel iets mee doen.’ [8] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • zijn spikkels op iets hebben
iets mooi en goed vinden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
spikkelen

spikkel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spikkelen
    • Ik spikkel. 
  2. gebiedende wijs van spikkelen
    • Spikkel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spikkelen
    • Spikkel je? 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen