stippel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stip·pel
enkelvoud meervoud
naamwoord stippel stippels
verkleinwoord stippeltje stippeltjes

Zelfstandig naamwoord

stippel v/m

  1. puntvormig of rond merkteken
    • Haar jurk had groene stippeltjes. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
stippelen

stippel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stippelen
    • Ik stippel. 
  2. gebiedende wijs van stippelen
    • Stippel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stippelen
    • Stippel je? 

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be