bespikkelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·spik·ke·len
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

bespikkelen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bespikkelen
bespikkelde
bespikkeld
zwak -d volledig
  1. iets met kleine vlekjes bedekken
    • Pakt u behalve de kurkentrekker vooral ook even uw pikhouweel: we gaan klimmen. Naar een door God en iedereen verlaten plek, zo lijkt het. Behalve dan dat een paar wijnboeren zonder hoogtevrees wel heil zagen in wat wijngaarden in de streek Valle d'Aosta. Piepkleine bedrijven runnen zij, met versnipperd gelegen wijngaarden op de flanken van de Mont Blanc, en in de berggemeentes die de Matterhorn bespikkelen. Sommige op 650 meter boven zeeniveau, andere zelfs op bijna 1200 meter. Hoger gelegen wijngaarden zijn in Europa niet te vinden. [2] 
    • In Jonge Vlieger voert haar verbeelding je mee naar een verafgelegen dorp, een stille plaats die, omringd door velden en een duister woud, ligt ingeklemd tussen hoge bergmassieven. Boven het dorp hangen honderden vliegers, die als ‘rode, witte, blauwe en groene’ vlinders de lucht bespikkelen en kunstig omhoog worden gehouden door twee zonderlinge kluizenaars, Ouwe en Nieuwe Vlieger. [3] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
75 % van de Vlamingen.[4]


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Het Parool 16 mei 2009 Wijn: Druiven op hoogtestage
  3. NRC Mirjam Noorduijn 19 april 2013 Vlinders zijn hier de baas
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be