slaken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sla·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘uiten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1528 [1]
  • In de betekenis van ‘losmaken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
slaken
slaakte
geslaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

slaken [2]

  1. het uiten van een geluid, woord of kreet
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

slaken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord slaak

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.

Verwijzingen