sjorren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sjor·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Fries, in de betekenis van ‘trekken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1671 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sjorren
sjorde
gesjord
zwak -d volledig

Werkwoord

sjorren

  1. (transport) iets met touw stevig vastzetten, zodat deze niet kan overgaan bij transport
  2. slepen, met moeite trekken
  3. (scouting) het in elkaar zetten van bouwwerken met touw of palen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen