size

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
size sizes

Zelfstandig naamwoord

size

  1. grootte, formaat (in de betekenis dat iets groot is)
    «The size of his mansion is incredible.»
    De grootte van zijn landhuis is ongelooflijk.
  2. grootte, formaat (in de betekenis welke omvang iets heeft)
    «Their garden is about twenty times the size of ours.»
    Hun tuin is ongeveer twintig keer zo groot als die van ons.
  3. maat, eenheid van een maatverdeling
    «Do you sell these shoes a half size smaller?»
    Heeft u deze schoenen ook een half maatje kleiner?
  4. (materiaalkunde) middel dat als deklaag op vlak materiaal wordt aangebracht, stijfsel
Afgeleide begrippen
vervoeging
onbepaalde wijs to size
he/she/it sizes
verleden tijd sized
voltooid
deelwoord
sized
onvoltooid
deelwoord
sizing
gebiedende wijs size

Werkwoord

size

  1. ordenen naar grootte
  2. appreteren
Afgeleide begrippen