siepelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sie·pe·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
siepelen
siepelde
gesiepeld
zwak -d volledig

Werkwoord

siepelen

  1. ergatief van water, bloed e.d. geleidelijk doordringen, langzaam vloeien
    • Waarschijnlijk siepelde in bepaalde gedeelten het water zelfs een beetje diffuus door het veen heen. 
Synoniemen

Gangbaarheid

47 % van de Nederlanders;
17 % van de Vlamingen.