siepelen
Uiterlijk
- sie·pe·len
- frequentatief gevormd uit afgeleid van siepen met het achtervoegsel -el, vergelijk sijpelen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| siepelen |
siepelde |
gesiepeld |
| zwak -d | volledig | |
siepelen
- ergatief van water, bloed e.d. geleidelijk doordringen, langzaam vloeien
- Waarschijnlijk siepelde in bepaalde gedeelten het water zelfs een beetje diffuus door het veen heen.
- Het woord siepelen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "siepelen" herkend door:
| 47 % | van de Nederlanders; |
| 19 % | van de Vlamingen.[1] |
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Frequentatief in het Nederlands
- Achtervoegsel -el in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-d) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Ergatief werkwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 47 %
- Prevalentie Vlaanderen 19 %