schokken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schok·ken
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

schokken

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schokken
schokte
geschokt
zwak -t volledig
  1. heftig bewegen
    De auto schokte hevig op weg met gaten.
  2. heftig emotioneel geraakt worden
    Het nieuws over de vermoorde president schokte iedereen.


Zelfstandig naamwoord

schokken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord schok