schoof

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Vijf schoven

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schoof
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bundel halmen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord schoof schoven
verkleinwoord schoofje schoofjes

Zelfstandig naamwoord

schoof v/m

  1. (landbouw) een bijeengebundelde hoeveelheid aren
    • De schoven staan op het veld te drogen. 
  2. (wiskunde) een wiskundige structuur die aan de open verzamelingen van een topologische ruimte bepaalde algebraïsche structuren koppelt, bijvoorbeeld abelse groepen, ringen of modulen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
schuiven

schoof

  1. enkelvoud verleden tijd van schuiven
    • Ik schoof. 
    • Jij schoof. 
    • Hij, zij, het schoof. 
vervoeging van
schoven

schoof

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schoven
    • Ik schoof. 
  2. gebiedende wijs van schoven
    • Schoof! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schoven
    • Schoof je? 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen