scholastiek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scho·las·tiek
Woordherkomst en -opbouw
v enkelvoud meervoud
naamwoord scholastiek -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

scholastiek v

  1. (filosofie) (geschiedenis) christelijke wijsbegeerte uit de middeleeuwen
    • In de scholastiek is het gezag van vroegere auteurs uitgangspunt. 
  2. (spottend) geheel van samenhangende opvattingen waarvan de schijnbare logica berust op het aanvaarden van traditionele autoriteit
    • Het Marxisme verwerd tot een onvruchtbare scholastiek door communistische dogma's. 
m enkelvoud meervoud
naamwoord scholastiek scholastieken
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

scholastiek m

  1. (filosofie) beoefenaar van de christelijke wijsbegeerte uit de middeleeuwen
    • De scholastieken probeerden de kennis uit de Oudheid en de boodschap uit de Bijbel met elkaar in overeenstemming te brengen. 
  2. (religie) (rooms-katholiek) jonge monnik die zich in de christelijke leer verdiept
    • Op de school van de jezuïeten gaven ook scholastieken les. 
Synoniemen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen scholastiek scholastieker scholastiekst
verbogen scholastieke scholastiekere scholastiekste
partitief scholastieks scholastiekers -

Bijvoeglijk naamwoord

scholastiek

  1. in, van of vergelijkbaar met de christelijke wijsbegeerte uit de middeleeuwen
    • In het scholastiek onderzoek stonder overgeleverde teksten centraal. 
  2. (spottend) met een ingewikkelde logica een beroep op traditionele autoriteit verhullend
    • Hij moest niets hebben van de recensentenkliek die scholastiek geblaat als kritiek presenteerde. 

Gangbaarheid

54 % van de Nederlanders;
65 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen