Naar inhoud springen

schedel

Uit WikiWoordenboek
  • sche·del
enkelvoud meervoud
naamwoord schedel schedels
verkleinwoord schedeltje schedeltjes

deschedelm

  1. (anatomie) skelet van een mensenhoofd of van een dierenkop, dat vorm geeft aan het hoofd resp. de kop
     Deze indrukwekkende demonstratie van betrokkenheid van de kant van de majordomus had een onverwachte uitwerking op de gevleide dichteres. Ze begon te schateren, waarbij zichtbaar werd hoe haar tanden verankerd waren in de met roze tandvlees overtrokken mandibula van haar schedel. Het was bijna angstaanjagend hoe grappig zij de goedbedoelde declamatie van haar eigen meesterwerk achtte.[3]
     Van alle fietsslachtoffers vorig jaar had ongeveer de helft (49 procent) een botbreuk. Maar een fietsongeluk kan ook leiden tot licht hersenletsel (13 procent) of ernstige schade aan de hersenen of de schedel (4 procent).[4]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[5]