geraamte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·raam·te
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘raamwerk’ voor het eerst aangetroffen in 1340 [1]
  • afgeleid van raam met het omvoegsel ge- -te dat een verzameling aangeeft [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord geraamte geraamten
geraamtes
verkleinwoord geraamtetje geraamtetjes

Zelfstandig naamwoord

geraamte o

  1. (anatomie) dat wat een lichaam stevigheid geeft. Bij zoogdieren, reptielen, vogels en andere gewervelden is het skelet het samenstel van botten (bij vissen spreekt men van graten) (endoskelet), bij geleedpotigen de harde omhulling van chitine (exoskelet).
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen