sadist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
[2] Deze sadist beleeft kennelijk plezier bij het tandentrekken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sa·dist
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sadist sadisten
verkleinwoord sadistje sadistjes

Zelfstandig naamwoord

sadist m

  1. (seksualiteit) iemand die bevrediging zoekt in het pijnigen van een ander
    • Sadisten werken graag als ondervragers of in het gevangeniswezen. 
     Bepaald geestig is hoe Peter, na het debacle met zijn eerste vriend, probeert ‘pittiger’ te worden, aan de hand van een SM-handboek, ‘De betere sadist’, waarvoor de Vijftig tinten grijs-trilogie als voorbeeld heeft gediend. Hij deelt dus af en toe wat klappen en zweepslagen uit, zonder dat zijn seksleven er bijzonder van opfleurt.[3]
  2. (figuurlijk) iemand die kennelijk plezier beleeft aan het leed of de moeite die hij anderen bezorgt
     Terwijl ik dat irritante sirene’tje hoor loeien, de klep langzaam voor mijn neus dicht gaat en een olijke sadist me nog even hartelijk uitzwaait (hij vaart, ik vloek) probeer ik te bedenken waarom ik het wachten op de pont van en naar Noord zo verschrikkelijk vind.[4]
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. sadist op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 15 juli 2021 Weblink bron Janet Luis “Elk mens wil wel een stamverband” (4 april 2014) op nrc.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 15 juli 2021 Weblink bron “Een brug te ver” (17 oktober 2014) op nrc.nl
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be