kweller

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kwel·ler
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kweller kwellers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kweller m [1]

  1. iemand die een ander kwelt, pest en/of pijnigt
    • „Ik ben niet de zogenoemde kweller van Amanda Todd of van iemand anders”, schrijft C. „Ik zit nu precies een jaar in de gevangenis voor dingen die ik niet heb gedaan. Tot de dag van vandaag ben ik niet direct aangeklaagd voor de Amanda Todd-zaak. Toch hebben de media wereldwijd en hun publiek me gebrandmerkt als het monster achter deze zaak.” Een eerlijk proces is volgens hem nu onmogelijk geworden. [2] 
    • In zijn nieuwe bundel neemt hij ook ouders op de korrel. Het gedicht ‘Baby’ becommentarieert de wens tot voortplanting. Kinderen worden geschapen als ‘speelgoedbeest’ en later maken ze uit wraak zelf kinderen. „Het machtsvertoon dat ouders menen tentoon te moeten spreiden, vind ik maar niks”, zegt Lehmann. „Omdat de baby’s de zwakkeren zijn.” Zijn ouders kwellers, ‘tortureerders’ in het gedicht? „Soms wel ja.” [3] 
    • Nadat zij nog geen zestien jaar in gevangenschap heeft hoeven doorbrengen, moeten de ouders van de vermoorde meisjes, evenals de slachtoffers die uit de kerkers zijn gered, nu leven in de wetenschap dat ze hun kweller ieder moment weer kunnen tegenkomen. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.


Verwijzingen