rugby

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rug·by
enkelvoud meervoud
naamwoord rugby
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rugby o

  1. (sport) balspel met ovaalvormige bal voor twee ploegen waarbij de bal naar voren getrapt wordt of men met de bal naar voren met lopen.
    • De sport rugby kent twee varianten die erg op elkaar lijken. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Werkwoord

vervoeging van
rugbyen

rugby

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rugbyen
    • Ik rugby. 
  2. gebiedende wijs van rugbyen
    • Rugby! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rugbyen
    • Rugby je?