rugbyen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rug·by·en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rugbyen
rugbyde
gerugbyd
zwak -d volledig

Werkwoord

rugbyen

  1. (sport) het spelen van het balspel rugby.
    • In Engeland rugbyen ze graag. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be