rugbyer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rug·by·er
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rugbyer rugbyers
verkleinwoord rugbyertje rugbyertjes

Zelfstandig naamwoord

rugbyer m

  1. (sport) een speler die de sport rugby speelt.
    • De rugbyer schopte de rugbybal naar voren. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
65 % van de Vlamingen.