reünie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·u·nie
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bijeenkomst van oud-collega's’ voor het eerst aangetroffen in 1679 [1]
  • afgeleid van unie met het voorvoegsel re- [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord reünie reünies
verkleinwoord reünietje reünietjes

Zelfstandig naamwoord

reünie v

  1. een gelegenheid waarbij een groep mensen na lange tijd opnieuw bijeenkomt
    • De schoolklas hier na 40 jaar een reünie. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen