reünist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·u·nist
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord reünist reünisten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

reünist m [1]

  1. bezoeker van een reünie
    • Actief als reünist bij Vindicat is Remkes niet meer. ,,Ik heb er relatief weinig tijd voor. Wel heb ik nog contact met een aantal mensen. Dat zijn waardevolle vriendschappen. Ik kijk met genoegen terug op die tijd. Dus ik vind het jammer dat Vindicat zo in het nieuws moet komen. Maar, volgens mij heeft men daar de lessen inmiddels geleerd en de consequenties getrokken." [2] 
    • In het gebouw aan het Spaarneplein in Den Haag was een reünie van de Postbank. Volgens een getuige stond het slachtoffer met een andere reünist in de lift . De ander stapte uit in de verwachting dat ook de 81-jarige dat zou doen. Dit gebeurde niet. De lift draaide naar beneden door en de man belandde in de liftschacht. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia Hanneke van Houwelingen en Bonne Kerstens 13-09-17 Vindicat: Excessen, of gewoon studentikoos gedrag?
  3. Reformatorisch Dagblad 14-04-2012 [https://www.rd.nl/vandaag/binnenland/dodelijk-ongeluk-liftschacht-was-op-re%C3%BCnie-1.667921 Dodelijk ongeluk liftschacht was op reünie]
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be