rammer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ram·mer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rammer rammers
verkleinwoord rammertje rammertjes

Zelfstandig naamwoord

rammer m

  1. iemand die ramt
  2. voorwerp waarmee men kan rammen
Verwante begrippen

Gangbaarheid


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • ram·mer
Naar frequentie 1861

Werkwoord

rammer

  1. nominatief onbepaald gemeenschappelijk geslacht meervoud van ramme


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • ram·mer
Naar frequentie 10808

Werkwoord

rammer

  1. tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van ramme

Zelfstandig naamwoord

rammer

  1. nominatief onbepaald mannelijk meervoud van ram

Zelfstandig naamwoord

rammer

  1. nominatief onbepaald mannelijk en vrouwelijk meervoud van ramme


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • ram·mer

Zelfstandig naamwoord

rammer

  1. nominatief onbepaald vrouwelijk meervoud van ramme