procurator

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pro·cu·ra·tor
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Latijnse curare [verzorgen] met het voorvoegsel pro- met het achtervoegsel -ator [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord procurator procuratoren
procurators
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

procurator m [2]

  1. (geschiedenis) provinciale administrateur van de oude Romeinse keizers
  2. administrateur van een klooster
  3. (geschiedenis) vertegenwoordiger van een kerkprovincie bij zaken met de Romeinse congregaties
Vertalingen

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders
84 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen