presentabel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pre·sen·ta·bel
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen presentabel presentabeler presentabelst
verbogen presentabele presentabelere presentabelste
partitief presentabels presentabelers -

Bijvoeglijk naamwoord

presentabel [1]

  1. dat iets of iemand er zo goed uitziet dat hij in het openbaar getoond kan worden
    • De mediagenieke Marine is al langere tijd het moderne gezicht van de Franse politieke xenofobie. Ze timmert hard aan de weg om het front presentabel te maken voor kiezers die er nu nog huiverig voor zijn. [2] 
    • Een man van 25 jaar werkte in 2010 als uitzendkracht op proef voor een computerspeciaalzaak, toen de zaakvoerster hem een vast contract beloofde. Voorwaarde was dat hij zijn andere job onmiddellijk opzegde. Dat deed hij, maar enkele dagen later liet ze hem weten dat hij dan toch geen vast contract kreeg. Ook zijn uitzendcontract werd beëindigd. Die beslissing was genomen vanwege een aangeboren vergroeiing van zijn vingers. De klanten zouden volgens de zaakvoerster de handen van de jongeman niet “presentabel” vinden. De jongeman en het CGKR stapten naar de arbeidsrechtbank, omdat de beslissing van de zaakvoerster in strijd was met de Antidiscriminatiewet. [3] 
    • 'Hij was welbespraakt, beleefd. Hij was ongeveer mijn lengte, had zeer witte tanden', zegt hij aan Sky News. 'Het is een choquerende vaststelling, dat je naast iemand kan staan die perfect normaal is, die vriendelijk en presentabel is, en dat die man dan op weg is om een massamoord te plegen. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen