presenteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pre·sen·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
presenteren
presenteerde
gepresenteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

presenteren

  1. ditransitief op een goed voorbereide wijze aanbieden aan anderen
    • Zij presenteerde haar werk op een internationale conferentie. 
  2. (media) als presentator optreden bij, van
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen