presenteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pre·sen·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
presenteren
presenteerde
gepresenteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

presenteren

  1. (ditransitief) op een goed voorbereide wijze aanbieden aan anderen
    Zij presenteerde haar werk op een internationale conferentie.
  2. (media) als presentator optreden bij, van
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Wiktionnaire
  2. etymologiebank.nl