presenteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pre·sen·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘aanbieden, voorstellen’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • afgeleid van het Franse présenter (met het voorvoegsel pre- en met het achtervoegsel -eren) [2] [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
presenteren
presenteerde
gepresenteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

presenteren

  1. ditransitief op een goed voorbereide wijze aanbieden aan anderen
    • Zij presenteerde haar werk op een internationale conferentie. 
  2. (media) als presentator optreden bij, van
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen