toonbaar

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toon·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen toonbaar toonbaarder toonbaarst
verbogen toonbare toonbaardere toonbaarste
partitief toonbaars toonbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

toonbaar

  1. dat iets in het opebaar getoond kan worden
    • De vrouw vond dat haar man eerst toonbare kleiding moest aantrekken voordat ze met hem ging wandelen. 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be