pomerans

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

pomerans
Uitspraak
Woordafbreking
  • po·me·rans
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘dopje’ voor het eerst aangetroffen in 1850 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord pomerans pomeransen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

pomerans v/m [3]

  1. (voeding) (fruit) Citrus aurantium op Wikispecies zure sinaasappel
    • De bittere sinaasappel ligt doorgaans in de winkel onder de naam Sevilla, de plaats waar hij tegenwoordig vaak vandaan komt. Een mooie oud-Nederlandse naam is pomerans. [4] 
  2. topje van een biljart keu
    • Tijdens zijn halve finale had O’Sullivan een nieuwe pomerans moeten plaatsen en dat speelde hem in de finale duidelijk nog parten. Zonder zijn beste niveau te halen, kwam O’Sullivan toch als eerste over de finish, waarop hij de gehate pomerans er meteen afbeet. [5] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

61 % van de Nederlanders
48 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen