Naar inhoud springen

polder

Uit WikiWoordenboek
  • pol·der
  • In de betekenis van ‘bemalen land’ voor het eerst aangetroffen in 1130 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord polder polders
verkleinwoord poldertje poldertjes

depolderm

  1. (waterbeheer) een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
    • Heel Flevoland is één grote polder. 
     Door het nog nazinderende zomerlandschap van de polder Klinkerland voerde mijn route onderlangs de imposante dijk, die onverzettelijk als een vestingmuur naast me oprees.[3]
     Hij wees ons waar de eerste dijk doorbrak en waar de huisjes die toen waren weggespoeld stonden, hoe het water de polder in stroomde, en wie er in welk huis had gewoond.[3]
vervoeging van
polderen

polder

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van polderen
    • Ik polder. 
  2. gebiedende wijs van polderen
    • Polder! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van polderen
    • Polder je? 
100 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[4]
  • pol·der
  • Ontleend aan het Nederlandse polder.
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  polder     le polder     polders     les polders  

polder m

  1. (waterbeheer) polder
    «La digue étant rompue, le polder fut inondé.»
    Omdat de dijk gebroken was, is de polder overstroomd.