pleuren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pleu·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pleuren
pleurde
gepleurd
zwak -d volledig

Werkwoord

pleuren

  1. overgankelijk (informeel) smijten, met kracht maar weinig zorgzaam plaatsen
    • Hij stormde opgewonden mijn kamer in en pleurde zijn jas op een stoel. 
    • Als je in de club lastig doet, pleuren de portiers je zo op straat. 
Synoniemen

tiefen, flikkeren

Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • bakkie pleur
kopje koffie

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.

Verwijzingen