plectrum
Uiterlijk

- plec·trum
- Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘citerpen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1832 [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | plectrum | plectrums plectra |
| verkleinwoord | plectrumpje | plectrumpjes |
het plectrum o
- (muziek) het plaatje waarmee de snaren van tokkelinstrumenten kunnen worden aangeslagen
- Een plectrum hoort bij een mandolinespeler zoals de strijkstok bij de violist.
- Het woord plectrum staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "plectrum" herkend door:
| 89 % | van de Nederlanders; |
| 90 % | van de Vlamingen.[2] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "plectrum" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be