pingping

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ping·ping
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pingping
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

pingping m

  1. (informeel) geld
    • Bettine Vriesekoop is intussen sinologe, was na haar sportcarrière correspondente in China, putte levenskracht uit haar sport. Allemaal omdat ze ooit naar China trok voor haar passie: pingpong. Zo’n vaart zal het met Witsel niet lopen, die komt straks zijn gouden kooi niet uit – al trekt ook hij naar China voor zijn passie: pingping. [3] 
    • De vader van Laurence heeft een steenfabriek. Dus dan weet je het wel. Pingping. Op basis van anonieme bronnen schreef dagblad Spits afgelopen week dat Laurence alleen maar op de PVV-lijst mocht omdat vader flink aan Wilders doneerde, een bewering die zijn anonimiteit of geldigheid vermoedelijk pas zal verliezen als de nieuwe wet op de partijfinanciering Wilders tot opening van geldzaken dwingt. [4] 
  2. Belgisch betalingssysteem voor contactloos betalen tot 25 euro
Synoniemen

Gangbaarheid

68 % van de Nederlanders;
59 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. pingping op website: Etymologiebank.nl
  2. pingping op website: Etymologiebank.nl
  3. de Standaard DINSDAG 3 JANUARI 2017
  4. Volkskrant PETER MIDDENDORP 18 februari 2012
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be