Naar inhoud springen

pessimisme

Uit WikiWoordenboek
  • pes·si·mis·me
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘neiging alles negatief te zien’ voor het eerst aangetroffen in 1870 [1]
  • afgeleid van het Franse pessimisme (met het achtervoegsel -isme) [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord pessimisme -
verkleinwoord - -

hetpessimismeo

  1. de verwachting dat gebeurtenissen ongunstig gaan uitvallen
     Na het grote sterven van de oorlog én de Spaanse griep was de tijd van pessimisme voorbij.[3]
  2. (filosofie) wijsgerige waardering van werkelijkheid en leven die deze als noodzakelijke oorzaken van ongeluk en ellende beschouwt
     Hij onderscheidt dus twee soorten pessimisme: een pessimisme van kracht en een pessimisme van zwakheid.[4]
     Het lijkt verstandig om tegenover dit extreme optimisme en pessimisme eraan vast te houden dat wij niet in een gerealiseerde utopie leven.[5]
98 %van de Nederlanders;
97 %van de Vlamingen.[6]
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  pessimisme     le pessimisme     pessimismes     les pessimismes  

pessimisme m

  1. pessimisme