pessimisme

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pes·si·mis·me
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘neiging alles negatief te zien’ voor het eerst aangetroffen in 1870 [1]
  • afgeleid van het Franse pessimisme (met het achtervoegsel -isme) [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord pessimisme -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

pessimisme o

  1. de verwachting dat gebeurtenissen ongunstig gaan uitvallen
  2. (filosofie) wijsgerige waardering van werkelijkheid en leven die deze als noodzakelijke oorzaken van ongeluk en ellende beschouwt
Synoniemen
Hyponiemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen