optimisme

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·ti·mis·me
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘neiging het beste te zien’ voor het eerst aangetroffen in 1860 [1]
  • afgeleid van het Franse 'optimisme' (met het achtervoegsel -isme) [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord optimisme -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

optimisme o

  1. de verwachting dat gebeurtenissen gunstig gaan uitvallen
     De Nationale 7 is een symbool van naoorlogs optimisme, toen de salarissen elk jaar omhoog gingen en Frankrijk het modernste land ter wereld was, met zijn Concorde, tgv en kerncentrales.[3]
  2. (filosofie) wijsgerig stelsel dat beweert dat deze wereld zo volmaakt is als zij maar zijn kan
Hyponiemen
Verwante begrippen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen