peinzer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

peinzer
Uitspraak
Woordafbreking
  • pein·zer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord peinzer peinzers
verkleinwoord peinzertje peinzertjes

Zelfstandig naamwoord

peinzer m [1]

  1. iemand die voortdurend nadenkt; iemand die zich aan gepeins overgeeft
    • Al met al geen wonder dat Chiara actrice werd. „Ik ben als meisje gevallen voor de sfeer en de rituelen van de set. ’s Ochtends arriveren bij de make-up, je call sheet krijgen, en dat eindeloze wachten, heerlijk. Ik ben een peinzer, ik hou ervan om uren voor me uit te staren.” [2] 
    • Wielrennen, zegt hij, is een goede sport voor peinzers, een meditatieve sport. „Soms is het bijna ontroerend om met een groep op de fiets te zitten. Windje in de rug, nee het moet niet te hard waaien, dan maakt het lawaai, dat is onverdraaglijk. Je fiets mag ook geen irritante geluiden maken, dat wordt niet gepikt. Met een man of tien, bandjes op kleine afstand van elkaar. Op van dat zwarte asfalt dat er net ligt. Wat je dan hoort is muziek. Een groot dier dat over de weg suist. [3] 
    • Bij de P van Politiek wordt Krol door Zuiderent getypeerd als een tegendraadse eenling. Hij schrikt niet terug voor politiek incorrecte uitspraken over de vakbond, de vrouwenbeweging of de doodstraf. Dat Krol geen doorgewinterde politicus is met een vlotte babbel, maar een stugge peinzer met een secundaire geest, een schrijver dus, blijkt steeds opnieuw. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.

Verwijzingen