paaien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • paai·en
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘paren van vissen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1648 [1]
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tevredenstellen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1281 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
paaien
paaide
gepaaid
zwak -d volledig

Werkwoord

paaien

  1. inergatief het leggen en bevruchten van eieren door vissen [2]
    • De zalm paait in hetzelfde stroompje waar hij geboren is. 
  2. overgankelijk trachten in het gevlij te komen bij iemand [3]
    • Hij slaagde er opnieuw in zijn geldschieter te paaien en meer geld los te krijgen. 
  3. overgankelijk (scheepvaart) de bemanning van een ander schip aanspreken
    • Er werd direct besloten de Eems te paaien om te vragen of het schip een aantal zwaargewonden kon meenemen naar de neutrale haven van IJmuiden. 
  4. (scheepvaart) het bewerken met harpuis van het dooddeel, het deel van het schip boven de waterlijn [4]
  5. (scheepvaart) laten schieten van een kabel [5]
    • Een touw in het ruim paaien. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen