orgeldraaier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

orgeldraaier
Uitspraak
Woordafbreking
  • or·gel·draai·er
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord orgeldraaier orgeldraaiers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

orgeldraaier m [1]

  1. (beroep) iemand die muziek laat komen uit een draaiorgel (door aan het grote wiel te draaien)
    • Dat een orgeldraaier op de bon is geslingerd omdat hij speelde waar dat niet mocht (Tel. 03/05), vinden de deelnemers aan de Stelling van de Dag terecht. Maar dat een oma is bekeurd omdat zij haar kleinkinderen bloemen liet plukken in een gemeenteplantsoen, gaat hun te ver. Van de stemmers vindt 72 procent dit 'gekkenwerk'.[2] 
    • Hoe het allemaal zo gekomen is? Dat doet Haagse Jopie wel even uit de doeken: "Er stond in de krant op een gegeven moment een advertentie 'Orgeldraaier gevraagd'. Dus ik zeg tegen Leo: 'Joh, reageer nou, da's echt iets voor jou.'Maar ja, daar kwam weer niks van natuurlijk. En toen zette ik op een gegeven moment mijn naaimachine te koop. Ook in de krant. En die werd gekocht door de toenmalige orgeldraaier van Oosterhout. Ze raakten in gesprek en hij heeft Leo gevraagd om te komen helpen, want hij vond er niet zo veel aan in z'n eentje."[3] 
    • Bij de ingang van de Nieuwe Kerk staat blinde Bennie de orgeldraaier. Hij staat daar al zowat een kwart eeuw. Vorige winter werd hij door de politie opgepakt en meegenomen voor verhoor. Ze hebben daar na uitputtend onderzoek besloten dat het misschien toch niet zo heel veel kwaad kan, een blinde orgeldraaier, en nu staat hij er gewoon weer iedere dag met zijn centenbak te schudden, altijd net uit de maat.[4] 
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf COOSJE HISKEMULLER 06 mei 2013 Uitslag Stelling: Berisping vaak beter
  3. de Telegraaf GUUS LIEKAMM 09 nov. 2012
  4. Volkskrant SYLVIA WITTEMAN 11 december 2012 Orgelman