aftreden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·tre·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aftreden
trad af
afgetreden
klasse 5 volledig

Werkwoord

aftreden

  1. ergatief een bepaalde positie of een bepaald ambt opgeven
    • Hij is gisteren afgetreden als gouverneur van die staat. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.