onthaal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·haal
enkelvoud meervoud
naamwoord onthaal onthalen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

onthaal o

  1. de manier waarop men iemand als gast ontvangt
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
onthalen

onthaal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van onthalen
    • Ik onthaal. 
  2. gebiedende wijs van onthalen
    • Onthaal! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van onthalen
    • Onthaal je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie