onthaal

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·haal
enkelvoud meervoud
naamwoord onthaal onthalen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

onthaal o

  1. de manier waarop men iemand als gast ontvangt
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
onthalen

onthaal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van onthalen
    • Ik onthaal. 
  2. gebiedende wijs van onthalen
    • Onthaal! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van onthalen
    • Onthaal je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be