online

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·line
stellend
onverbogen online
verbogen online

Bijvoeglijk naamwoord

online

  1. (informatica) in verbinding met het internet
    • Hij was een tijdje online geweest. 
  2. op/via het internet
    • Daarvan bestaat ook een online versie. 
     Hij zat vol met spullen, die ik thuis online had gekocht bij Bergfreunde, om me te beschermen in de hoge bergen.[1]
     De twee wilden graag online vertellen over de tienerzwangerschap om "met een eerlijk en echt verhaal" tegengas te bieden aan de negatieve reacties die ze hebben gekregen. "Het was niet gepland, maar je bent echt wel het allerbeste dat ons is overkomen", zegt Emma in de video tegen haar zoon.[2]
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijwoord

online

  1. (informatica) in verbintenis met het internet
    • Je kunt online woorden opzoeken bij WikiWoordenboek. 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 13 juli 2022 Weblink bron “Henny Huisman hoorde van Shownieuws dat hij overgrootvader werd” (10 juli 2022), NU.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be