omzeilen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • om·zei·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omzeilen
zeilde om
omgezeild
zwak -d volledig

Werkwoord

ómzeilen

  1. ergatief langs een omweg zeilen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omzeilen
omzeilde
omzeild
zwak -d volledig

Werkwoord

omzéílen

  1. overgankelijk via een omweg rond een obstakel zijn doel weten te bereiken
    Zo hebben we die file netjes omzeild.
  2. overgankelijk overdrachtelijk een moeilijkheid uit de weg weten te gaan, behoedzaam ontwijken
    Die wet functioneert niet goed; mensen weten de bepalingen maar al te goed te omzeilen.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl