omtrek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·trek
enkelvoud meervoud
naamwoord omtrek omtrekken
verkleinwoord omtrekje omtrekjes

Zelfstandig naamwoord

omtrek v/m

  1. (wiskunde) de lengte van een gesloten kromme
    De omtrek van een cirkel bedraagt 2π maal de straal.
  2. grenslijn.
  3. omvang van een lichaam
  4. het gebied rondom een bepaalde plaats
    Dat is in de wijde omtrek niet te vinden.
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • In de wijde omtrek.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
omtrekken

omtrek

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omtrekken
    ... dat ik omtrek.
vervoeging van
omtrekken

omtrek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omtrekken
    Ik omtrek.
  2. gebiedende wijs van omtrekken
    Omtrek!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omtrekken
    Omtrek je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie