officieel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • of·fi·ci·eel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ambtelijk’ voor het eerst aangetroffen in 1816 [1]
  • afgeleid van het Franse officiel met het achtervoegsel -eel [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen officieel officiëler officieelst
verbogen officiële officiëlere officieelste
partitief officieels officiëlers -

Bijvoeglijk naamwoord

officieel [3]

  1. erkend door bevoegd gezag
  2. formeel
    • Hij zat al maanden niet meer op de fiets als gevolg van een blessure aan beide knieën. ,,Officieel heet het overbelasting, maar concreet is het een zeurende pijn in het midden van beide knieschijven. [4] 
Antoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen