officieus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • of·fi·ci·eus
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen officieus officieuzer officieust
verbogen officieuze officieuzere officieuste
partitief officieus officieuzers -

Bijvoeglijk naamwoord

officieus

  1. niet-officieel, niet helemaal volgens de regels en vaak ook helemaal tegen de regels in.
    Hij begreep het ook wel: dit beschermen van eigen co's tegen Lenz was uiteraard een hoogst officieuze, om niet te zeggen clandestiene aangelegenheid, en zelfs Zuidema, met zijn vrijbuitersmanieren, moest om de schijn op te houden af en toe wel eens een co prijsgeven.

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.