Naar inhoud springen

nuchter

Uit WikiWoordenboek
  • nuch·ter
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen nuchternuchterdernuchterst
verbogen nuchterenuchterderenuchterste
partitief nuchtersnuchterders-

nuchter

  1. niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
    • Nu hij weer nuchter was, bleek hij een heel redelijk mens. 
  2. geen ontbijt genuttigd hebbend
    • Hij moest die medicijnen op nuchtere maag inslikken. 
  3. niet snel tot emotionaliteit geneigd, zakelijk
    • Hij stond bekend om zijn nuchtere kijk. 
    • Al snel duiken gezondheidsklachten op. Niet bij Van Nijen, die er nuchter in staat. 'Als het echt erg was, had de GGD wel gewaarschuwd.' Andere bewoners maken zich grote zorgen. 'Een gifwijk!', roepen ze. 'Wij gaan dood hier.' De autoriteiten proberen de onrust te temperen. Volgens de GGD blijft de uitstoot van schadelijke stoffen binnen de normen. [4] 
     Zo zag ze er bijna nooit uit, daar was ze te nuchter voor, maar ze keurde haar spiegelbeeld met een zelfverzekerde blik in de ogen.[5]
  4. bescheiden
     Het maakte van Aronds een rolmodel, al bleef ze er zelf vrij nuchter onder: "We speelden gewoon liefde", zei ze in een interview.[6]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[7]