nova

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • no·va
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘ster’ voor het eerst aangetroffen in 1943 [1]
  • novum met uitgang -a, Latijns gevormd meervoud onzijdig

Zelfstandig naamwoord

nova mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord novum
Synoniemen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen


Esperanto

  enkelvoud meervoud
  nominatief     nova     novaj  
  accusatief     novan     novajn  

Bijvoeglijk naamwoord

nova

  1. nieuw