nova

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • no·va
Woordherkomst en -opbouw
  • novum met uitgang -a, Latijns gevormd meervoud onzijdig

Zelfstandig naamwoord

nova mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord novum
Synoniemen
  • nova


Esperanto

  enkelvoud meervoud
  nominatief     nova     novaj  
  accusatief     novan     novajn  

Bijvoeglijk naamwoord

nova

  1. nieuw